|
De installateur van de warmtepomp stelde aan onze keukentafel één vraag waar ik geen antwoord op had. Hij wilde weten wat onze aansluitwaarde was. Ik woon al drieëndertig jaar in dit huis, een vrijstaande woning uit 1979 in Ratum, met aan drie kanten weiland en houtwallen en aan de vierde kant het pad naar de buren, tweehonderd meter verderop. Ik weet precies wanneer de essen hun blad verliezen. Maar wat er in mijn meterkast zat, daar had ik nooit naar gekeken. Een getal op de hoofdschakelaarHet antwoord bleek op een klein etiketje te staan. Eén fase, veertig ampère. Voor een huis met een gasketel, een gasfornuis en een wasmachine is dat ruim genoeg, en dat is het dertig jaar ook geweest. Maar wij gingen van het gas af. Een volledig elektrische warmtepomp, een boilervat met een verwarmingselement en, omdat het gasfornuis dan ook geen zin meer had, een inductieplaat. En onze dochter heeft al laten vallen dat ze bij een volgend bezoek graag haar elektrische auto wil opladen. De installateur van de warmtepomp ging over de warmtepomp. Voor de rest stuurde hij ons door. Zo kwam er op een regenachtige maandag eind augustus een elektricien Winterswijk op het erf, die eerst rustig de meterkast leeghaalde en ieder draadje volgde. Zijn advies was helder. Met al die nieuwe apparaten op één fase kom je op koude winteravonden te dicht bij de grens. Hij raadde aan om bij de netbeheerder een zwaardere aansluiting met drie fasen aan te vragen. Dat moesten we zelf regelen, en het kostte een paar weken wachten, maar het scheelt een hoop gedoe later. Extra groepen en een nieuwe kastDe oude groepenkast had vier groepen en geen enkele plek meer over. Voor de warmtepomp kwam er een eigen groep, voor het element in het boilervat ook, en de inductieplaat kreeg er twee. De elektricien Winterswijk liet ruimte over in de kast, voor de laadpaal die er waarschijnlijk ooit komt. Bij het nalopen vond hij nog iets geks: de diepvries in de garage hing samen met de slaapkamers op één groep, waarschijnlijk een overblijfsel van een verbouwing in de jaren negentig. Waar de buitenunit moest staanDat was het lastigste stuk, en niet om technische redenen. Mijn vrouw wilde de buitenunit niet aan de achterkant, waar we ’s zomers op het terras zitten en naar de houtwal kijken. Ik wilde hem niet aan de voorkant, waar iedereen hem ziet die over de zandweg komt aanfietsen. Aan de westkant zit ons slaapkamerraam, en een apparaat dat ’s nachts zachtjes draait wil je daar ook niet direct onder. Het is de oostgevel geworden, naast de schuur, op een eigen betonnen voetje een stuk boven het maaiveld. Daar kan de lucht vrij weg, er kan geen sneeuw tegenaan waaien en het condenswater loopt af in het grind in plaats van op de tegels, waar het in de winter zou bevriezen. Bijkomend voordeel: het is de kant die het dichtst bij de meterkast ligt, dus de kabel naar binnen is kort. Dat had de elektricien al gezegd voordat wij erover begonnen te ruziën. Eerste koude nachtVorige week woensdag zakte het voor het eerst onder de vijf graden. Ik ben om elf uur nog even naar buiten gelopen, de zandweg op, om te luisteren. Je hoort hem wel als je ernaast staat, een zacht gezoem met af en toe een tik. Vanaf de weg hoorde ik alleen de wind door de eiken en ergens bij de buren een koe. Binnen was het negentien graden, net als anders. De gasmeter staat stil. Dat heb ik de eerste dagen vaker gecontroleerd dan ik graag toegeef. |
Van gasketel naar warmtepomp in het buitengebied van Winterswijk
- Gepubliceerd door Bartomaud
Inhoudsopgave
